
Jurisprudentie
BF0778
Datum uitspraak2008-09-15
Datum gepubliceerd2008-09-15
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers02/800258-08 [P
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-15
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers02/800258-08 [P
Statusgepubliceerd
Indicatie
Vrijspraak van poging tot doodslag wegens ontbreken van opzet. Naar het oordeel van de rechtbank staat feitelijk vast dat verdachte het slachtoffer met een hamer op het hoofd heeft geslagen. De deskundigen die verdachte hebben onderzocht, hebben geconcludeerd dat er bij verdachte sprake was van een dissociatieve stoornis waardoor hij geen greep meer had op zijn gedragingen en de consequenties daarvan niet kon overzien.
Uitspraak
RECHTBANK BREDA
Sector strafrecht
parketnummer: 02/800258-08 [P]
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 september 2008
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [datum en plaats],
wonende te [adres],
raadsman mr. W.B.M. Bos, advocaat te Roosendaal.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 1 september 2008, waarbij de officier van justitie, mr. Van Aken, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, althans hem enig letsel toe te brengen, [slachtoffer] met een hamer op het hoofd te slaan.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Zij baseert zich daarbij op het volgende.
Op 27 februari 2008 bevonden verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] zich in de woning van [slachtoffer]. Op enig moment is [slachtoffer] de woning uitgelopen met een hoofdwond. Nu verdachte en [slachtoffer] zich niets meer kunnen herinneren, zijn er verschillende scenario’s denkbaar hoe [slachtoffer] aan de hoofdwond is gekomen. De officier van justitie hecht geloof aan de oprechtheid van verdachte dat hij zich niets meer kan herinneren, gelet op zijn consistente verklaringen en gelet op de inhoud van de (neuro-)psychologische en psychiatrische rapporten die over hem zijn uitgebracht.
De officier van justitie acht wel voldoende wettig bewijs aanwezig, maar mist op grond van het voorgaande de overtuiging en vordert daarom verdachte integraal vrij te spreken van wat hem is ten laste gelegd. Daarnaast vordert zij dat de op de beslaglijst vermelde goederen zullen worden teruggeven aan verdachte.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is primair van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende.
Het slachtoffer noch verdachte hebben enig inzicht in de precieze toedracht van het voorval op 27 februari 2008 in Bergen op Zoom. Op grond van technisch politieonderzoek is weliswaar vast komen te staan dat er contact is geweest tussen de vuisthamer en het slachtoffer, maar niet vastgesteld is dat celmateriaal van verdachte op de hamer zat. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat het verdachte is geweest die de vuisthamer heeft gehanteerd. Daarnaast had verdachte evenmin een motief om zijn beste vriend met een hamer op het hoofd te slaan.
Mocht de rechtbank het aan verdachte ten laste gelegde feit wel bewezen achten, dan bepleit de verdediging dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging in verband met de ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte. De verdediging acht daarnaast de oplegging van een strafrechtelijke maatregel niet noodzakelijk, onder meer gelet op het blanco strafblad van verdachte en zijn voornemen professionele hulp te zoeken bij de verwerking van zijn belaste levensgeschiedenis.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank staat feitelijk vast dat verdachte op 27 februari 2007 te Bergen op Zoom [slachtoffer] met een hamer op het hoofd heeft geslagen. Daarbij baseert zij zich onder meer op de verklaringen van verdachte en het slachtoffer, waaruit blijkt dat zij die bewuste dag met zijn tweeën in de woning van het slachtoffer waren, op de verklaringen van het slachtoffer en getuige [naam getuige] op grond waarvan de rechtbank het scenario van een onbekende derde in de woning van het slachtoffer uitsluit, alsmede op de verklaring van getuige [naam getuige] waarin hij verklaart dat hij heeft horen zeggen dat het slachtoffer heeft gezegd: “Hij is gek geworden”. Voorts baseert de rechtbank zich op het aanvullend proces-verbaal d.d. 18 juni 2008, waaruit onder meer blijkt dat het op de handen van verdachte aangetroffen bloed van het slachtoffer afkomstig is.
De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of verdachte doelbewust en met de voor het bewijs van het ten laste gelegde feit vereiste opzet heeft gehandeld.
Om die vraag te beantwoorden heeft de rechtbank ook acht geslagen op de uitgebreide rapportages die over de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn uitgebracht.
Het rapport van justitieel forensisch GZ-psycholoog drs. F.C.P. Zuidhof van 1 augustus 2008 vermeldt – zakelijk weergegeven en voor zover relevant – het volgende:
Er zijn aanwijzingen voor een dissociatieve stoornis NAO. Er zijn aanwijzingen dat er bij verdachte sprake was van ontkoppeling van bewuste mentale processen voorafgaande, tijdens en ook nog enkele uren na de delictvorming. Vanuit gedragskundig perspectief kan het uitzonderlijke delictgedrag van verdachte worden begrepen uit de hiervoor beschreven toestand. Daardoor had verdachte niet op een bewuste wijze grip op zijn gedrag en kon hij zijn handelen en de consequenties daarvan niet overzien.
Het rapport van psychiater dr. [naam deskundige] van 5 augustus 2008 vermeldt – zakelijk weergegeven en voor zover relevant – het volgende:
Uit het psychiatrisch onderzoek komt naar voren dat niet is vast te stellen wat er met verdachte in diagnostisch opzicht exact aan de hand is geweest in de periode voorafgaand aan, en ten tijde van het plegen van het feit waarvan hij wordt verdacht, indien en voor zover dit bewezen wordt geacht. Er zijn echter wel aanwijzingen gevonden die erop wijzen dat er bij verdachte voorafgaand aan het tijdstip van het plegen van het feit waarvan hij wordt verdacht, sprake is geweest van een acute dissociatieve stoornis niet anderszins omschreven. Wanneer deze diagnostische overwegingen worden overgenomen, vloeit daaruit voort dat verdachte ten tijde van het plegen geen greep meer had op zijn gedragingen.
In het licht van het arrest van de Hoge Raad van 24 november 1998 (NJ 1999, 156) overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat iemand aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt en hierbij als volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd, op zichzelf niet in de weg hoeft te staan aan een bewezenverklaring van de opzet in de ten laste gelegde poging tot doodslag. Dit zou alleen dan anders kunnen zijn als zou blijken van een zodanige ernstige geestelijke afwijking bij verdachte, dat aangenomen moet worden dat hij van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan is verstoken.
De rechtbank overweegt hieromtrent dat verdachte zich niets kan herinneren vanaf de vroege middag, waarbij verdachte niet alleen bij het slachtoffer op bezoek is geweest maar tevens bij zijn moeder, voorts in de auto is gestapt en naar het slachtoffer is gereden. Pas vanaf circa 22.00 uur kan verdachte zich weer herinneren dat hij zich op het politiebureau bevond. Nu uit de rapporten van zowel de psychiater als de psycholoog blijkt dat deze lacune in het geheugen van verdachte niet gesimuleerd is en als een uiting van een dissociatieve stoornis is aan te merken, acht de rechtbank de hierboven genoemde zeer uitzonderlijke situatie aanwezig. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte niet met de voor het bewijs van het ten laste gelegde feit vereiste opzet heeft gehandeld.
De rechtbank zal verdachte dan ook op grond van het voorgaande wegens het ontbreken van opzet vrijspreken van het hem ten laste gelegde feit.
5 De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder primair en subsidiair ten laste gelegde feit;
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;
Beslag
- gelast de teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan verdachte, te weten:
1 1.00 STK Jas Kl:zwart
SLAZENGER windjack
besmeurd met bloed
2 1.00 STK Shirt Kl:blauw
ROM88
Besmeurd met bloed,opdruk alcan packaging br
3 1.00 STK Schoeisel Kl:zwart
ELTEN werksch.
IBG onder de verdachte 1 paar
4 1.00 STK Overall Kl:blauw
Model tuinbroek besmeurd met bloed
5 1.00 STK Sok Kl:zwart
6 Geld Euro's
IBG,aantal briefjes van 100 en van 50,totaal
7 1.00 STK Handschoen Kl:groen
Zaten in het borstzakje van overall
8 1.00 STK Schoeisel Kl:wit
DSQUARED sport
9 1.00 STK Broek Kl:blauw
FOR ALL MOMKIND spijker
Besmeurd met bloed
11 1.00 STK Shirt Kl:zwart
HUGO BOSS
Besmeurd met bloed
13 1.00 STK Vest Kl:zwart
PRADA
Besmeurd met bloed
Dit vonnis is gewezen door mr. Tempelaar, voorzitter, mr. Van Kralingen en mr. Dekker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Beek, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 september 2008.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 27 februari 2008 te Bergen op Zoom ter uitvoering van het
door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk B.J. [slachtoffer] van het
leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat
opzet die Hulten meermalen, althans eenmaal, met kracht met een (vuist)hamer,
althans een hard voorwerp, in en/of tegen en/of op het hoofd heeft geslagen
en/of gestompt en/of gestoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen
misdrijf niet is voltooid;
art 287 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 februari 2008 te Bergen op Zoom opzettelijk mishandelend
een persoon ([slachtoffer]), meermalen, althans éénmaal met een
(vuist)hamer, althans een hard voorwerp,tegen het hoofd heeft geslagen en/of
gestoten, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht